V.
't Was vóór het raam waar Emma, uitgezucht,
Nogmaals den blik hief tot de blauwe lucht.
Arm, boetend lam! nu gansch bereid haar leven
Ten zoene harer zonde prijs te geven.
Graaf Thorveld stond aan bare zijde, en hem
Sprak zij vaarwel met stille, zwakke stem.
Zij vroeg hem nogmaals, de oogen opgeheven,
Vergiffenis om 't geen zij had misdreven,
En smeekte hem met half bestorven mond
Dat bij haar kind zou helpen, zoo hij 't vond.
Hij zwoer het haar, al knielende op den grond.
Dan wilde zij hem nog het laatste smeeken,
Hem van den dronkaard, hem van Koenraad spreken,
En door het venster blikkend, als om moed,
Zag zij den doemling springen in den vloed.
‘Hulp!’ gilde zij en strekte naar de ruiten
Hare armen uit, ‘Graaf Thorveld, hulp daar buiten!’