Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

V.

't Was vóór het raam waar Emma, uitgezucht, Nogmaals den blik hief tot de blauwe lucht. Arm, boetend lam! nu gansch bereid haar leven Ten zoene harer zonde prijs te geven. Graaf Thorveld stond aan bare zijde, en hem Sprak zij vaarwel met stille, zwakke stem. Zij vroeg hem nogmaals, de oogen opgeheven, Vergiffenis om 't geen zij had misdreven,

En smeekte hem met half bestorven mond Dat bij haar kind zou helpen, zoo hij 't vond. Hij zwoer het haar, al knielende op den grond. Dan wilde zij hem nog het laatste smeeken, Hem van den dronkaard, hem van Koenraad spreken, En door het venster blikkend, als om moed, Zag zij den doemling springen in den vloed. ‘Hulp!’ gilde zij en strekte naar de ruiten Hare armen uit, ‘Graaf Thorveld, hulp daar buiten!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove