Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

X.

Doch 't valt niet eens den losbol in den kop, Langsheen de Meir of 't Kerkhof om te rijden, Al ware 't maar om zich te doen benijden; Neen, recht naar huis, allengskens in galop, Om te eerder zijne moeder te verblijden. Beth loste hare stootkar in den gang En gromde stil: ‘waar blijft hij toch zoo lang?’ Als zij van ver den ruiter aan zag komen. Verbluft, hief zij heure armen boven 't hoofd, En dacht, zij stond vóór hare deur te droomen, Ofwel haar zoon was van 't verstand beroofd. Dan, bij een nader, bij een scherp aanschouwen, Kon 't lustig wijf nauw haar gelach weêrhouën: Hij was voorwaar zoo koddig om te zien,

Met zijne broek omhoog tot aan de kniên, En zijnen hoed die danste dat er wijven, Reeds half aan slag, vergaten voort te kijven. Doch 't krielde weêr van kindren op de straat. ‘Och! zuchtte Beth, zou 'k dat beleven moeten? Een paerd! riep ze uit, met ijzer aan de voeten. Om Gods wil, zoon, past op of 't is te laat!’ ‘Ju!’ riep hij, 't ros aansporend met de hielen, En mompelde om 't nog beter te bezielen: ‘Hoe gauwer nu, hoe eerder, kameraad, Krijgt gij savooijen, koolen en salaad!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove