II.
‘Ik ben niet doof meer,’ had hij hem gezegd.
Dies wilde Hugo nog de kans eens wagen,
En nam hem meê om in de heî te jagen;
Maar, hoe hij ook de zaak had overgelegd,
Vriend Willem woû van geene hulpe weten,
Zoolang hij zelf brood winnen kon en eten.
't Was de eerste maal dat hij met roer en hond,
Gelijk een heerschap, zich op jacht bevond;
Doch hij die in zijn Uilenspiegelsleven
Met steenen meer dan ééne musch deed sneven,
Schoot zooveel wild dat hij aan Hugo vroeg
Wat hij zou doen met alles wat hij joeg?
Ging het zoo voort met hazen en patrijzen,
Er kwam genoeg om honderd man te spijzen.
Daar vliegt op eens door 't hoofd hem een gedacht,
Een vreemd gedacht, dat mal hem tegenlacht.
‘Beth woû zoo wat in haren stiel veroveren.’
Dat woord schijnt nu nog meer hem te betooveren.
Hij roept met vreugd: ‘Vriend! daar gij toch iets wilt,
Geen groensel meer, - mijn' moeder doe in wild!’
En hij legt uit, terwijl zijne oogen glansen
En hunne honden kwispelen en dansen,
Op welke merkt en in wat deftig kraam
Zij zitten zullen, zij en hij te zaâm.
En Hugo, die weêr heel zijn hert mag hooren,
Drukt hem de hand zoo vast als ooit te voren.