IV.
't Was avond als hij thuis kwam, en zijn hoed Stond scheef, alsof het stormde in zijn gemoed. ‘Ze is weg, sprak hij, dat weten ze allen goed; Waar, weet geen mensch! - Hoe vind ik ze dan weder?’ Hij zette zich op eene tafel neder, En Schoone Beth nam plaats op eenen stoel, Rechtover hem, vol moederlijk gevoel. Zij wist wel wat er omging in zijn herte;
Zij zag hem aan met teederheid en smerte, En, schoon niet wetend wat zij zeggen woû, Sprak toch, verzekerd dat het troosten zou.... Zoo zegde zij dat, als aan rijke lieden 't Geluk ontvliedt, zij ook het vaak ontvlieden; Dat die mevrouw 't zoolang ontvloden had Dat haar de hand der Dood had aangevat. ‘Wel tachtig jaar, sprak zij, om na zulk leven Misschien nog niet gerust den geest te geven! Aan hare zij', een lustig hert, een kind, Voor wie 't genot op aarde pas begint, En dat zich achter muren op moet sluiten, Doof voor het lied dat alle vogels fluiten, Blind voor de bloemen, voor de zonne blind! Ach! Willem! Willem! de oude bij de dooden En 't jong gemoed ook in een graf gevloden!... Dat geld, dat geld, dat hertverdrogend geld! Och, hadden zij maar alles haar ontstolen, En ze in haar hemd dan omme laten dolen! Wie jong is, leeft gelijk een haas in 't veld. Maar haar, vol spooken, siddren doen en zuchten, Haar uit de wereld in een graf doen vluchten.... - Doch neen, o neen! - gedwongen heeft men haar: De wereld vliedt geen kind van achttien jaar!
Ik zie ze nog met hare lachende oogen; Zij klapte met haar hert op hare tong; Zij is mij zelfs eens aan den hals gevlogen, Omdat ik haar van Catherijntje zong, Met haar malsch lijf, waarin haar zieltje sprong. En die, die dweept in zwarte nonnekleêren, In eene cel, van dag en lucht beroofd? Die geeselt zich? die waant zich bruid des Heeren? Die kruipt en snikt met asschen op haar hoofd? Nooit! - Schoone Beth zal, slapend, niet meer rusten; Wat ze ete of drinke, zal haar niet meer lusten, Tot dat zij wete wie haar dwong, waar ze is, En wie ze redt uit haar' gevangenis!’ ‘Zoo zoekt met mij, zeî Wilm: om haar te spreken, Bij mijne ziel, zou ik door muren breken!’
Cookies on Poetry Cove