V.
Mevrouw had daags na 't sterven harer zuster Die som in Bertha's blanke hand gelegd, De maagd omhelsd, haar zoeten troost gezegd, En sedert ging het in haar hert geruster. Wat toch had Bertha met dat geld gedaan? Ver in de heî, waar zelden menschen gaan, Dan die er van hun' kinderjaren wonen, Bebouwde een boer een bunder vruchtbaar land, Als een oasis tusschen 't heidezand, En won er 't brood voor vrouw en kleine zonen. Het huisje, met het bunder lands er om, Was, als de heî, mevrouwes eigendom. Eens togen twee verliefde schilders, beide Met stok en pijp, door de uitgestrekte heide, En de eene klopte, boven 't drooge kruid, Zijn' bruine pijp op zijnen gaanstok uit.
Zij gingen voort met onbekommerd herte, Luid juichend om een' toren in de verte, En achter hen ontstond allengs een brand Die slangsgewijze voortkroop t'allen kant. De wind, o jammer! dreef het vuur naar 't koren Des armen boers, die riep: ‘wij zijn verloren!’ En die, eilaas! al strijdend met de vlam, In eene rookwolk om het leven kwam. Niet lang nadien, de vrouw zat nog te weenen, Was weêr de huur van huis en veld verschenen, En liet mevrouw Urbijn haar weten dat Zij hare pachtsom te betalen had. De weduwvrouw had in de laatste weken Slechts brood met hare tranen mogen weeken, En liet mevrouw verzoeken om toch haar De pachtsom kwijt te schelden voor een jaar. Die bede mocht de droeve vrouw niet baten: Betalen zou ze, of huis en veld verlaten.... Dan pleegde zij geweld op haar gemoed, En kwam ter stede, en wilde haar te voet. Maar, als of God het schikte, door de ruiten Zag Bertha haar en kwam de poort ontsluiten, En de arme vrouw zag haar met tranen aan, Als was vóór haar een engel komen staan.
Een' stond nadien, zelf met bekretene oogen, Was 't goede kind de trappen opgevlogen, En bracht de beurs, die zij der vrouw in nood Met heel heur hert in beî de handen sloot.
Dus heeft mevrouw het minste niet verloren, En 't ander mensch was rijk als nooit te voren...
Cookies on Poetry Cove