VI.
Daar klinkt de bel, en doodstil wordt de menigt'
Die vóór en in de rechtszaal staat vereenigd.
De rechters treden binnen; ieder richt
Doordringende oogen naar hun aangezicht.
Vlak achter hen, vol liefderijk erbarmen,
Hangt Christus aan het kruis met opene armen.
Één man is daar die de oogen nederslaat....
De oude opperrechter geeft bevel, heer Vromen
Bij naam te roepen, om vooruit te komen,
En Vromen klimt vier treden op, en staat
Dan stil met hollen blik en bleek gelaat.
Verloor hij 't hoofd? Hij hield de hand geheven,
Ten eed bereid, en ieder zag ze beven....
‘Zweert gij,’ zoo vroeg de grijze rechter hem,
Zelf bleek, zelf bevend, en met trage stem,
‘Zweert gij bij God en op uw eeuwig leven
Dat gansch 't fortuin van wijlen vrouw Urbijn
Het uwe is, - 't uwe, - en 't immer zoo moet zijn,
Dat gij 't aan andren nooit moet overgeven?’
Hij zwoor het, en de grijze rechter, wien
Het op het hert viel, kon hem niet bezien.
Hij rees uit zijnen zetel op, en samen
Met de andre rechters ging van waar zij kwamen.
Daar dronk hij een glas water, - maar hij schonk
Het bevend in, en beefde ook als hij dronk....
Rechtschapen man, rein, onbevlekt geweten!
Daar nevens in de rechtszaal klonken kreten;
Hadde u het volk gezien, hoeveler hand
Hadd' bij de keel dien Vromen aangerand!