VI.
Hij ging en, wijl mevrouw gramstorig belde, Ontmoette Nel'ken, die naar boven snelde. Zij wilde weêr den trap af, om de poort Te ontsluiten, doch hij fluisterde ‘loop voort.’ En haar ontving mevrouw Urbijn met woorden Als nimmer knechts van hare lippen hoorden. Het was 't verwijt om 't geen de domme meid
Niet haar, mevrouw, maar andren had gezeid. Zóó had de kwezel juist het overleid.... Zij snikte met de handen vóór hare oogen Dat zij niet had gedurven; dat die heer 't Geheim haar had ontrukt, en wat dies meer; Dat hij haar dus, o jammer! had bedrogen; Dat ze anders nooit geklaagd had in haar leed, Nooit dan tot God, Hem biddend om meêdoogen Voor 't geen op aarde Bertha al misdeed. ‘Al?’ riep mevrouw - ‘O! ik heb mij missproken!’ Was 't antwoord en, om de onrust aan te stoken, Sprak zij met haast, als driftig en oprecht: ‘Zooveel misdoet niet Bertha als men zegt!’ Mevrouw Urbijn werd bleek: - door al de haren Haars hoofdes was een' killigheid gevaren. Zij hiet de meid bedriegelijk en slecht. ‘Zou mijn fortuin, zoo grijnsde zij haar tegen, Eens dienen om onwaerdigheid te plegen? Wat zooveel eer bevat, zou hare hand Dat kwistig strooien op den weg der schand?’ ‘O neen, mevrouw! - en Nel'kens oogen blonken - De duizend francs die gij haar hebt geschonken, Besteedde zij - ik weet, ik weet het goed, - Tot geene daad die u beschamen moet!’
Dat was te wreed, al zegde zij 't zoo zoet. Mevrouw liet zich in haren zetel zijgen; Haar hert deed zeer; met moeite kon zij hijgen; Zij zakte in zwijm; doch 't laatste dat zij wist, Stiet ze uit al zuchtend: ‘duizend francs verkwist!’
Cookies on Poetry Cove