VIII.
‘Ik woû met Dom wel weten of de wijn
Dier oude feeks zoo smakelijk zal zijn,’
Zeî Minne en vroeg hoe lang men nog zou toeven
Om hem op haar' gezondheid eens te proeven.
‘Zij rust nog onder de aarde niet, zeî Coen,
En gij zoudt reeds iet zoo vermetels doen!’
Ook Vredecus zou 't lang en diep beklagen,
Zoo bij 't begraven der hoogeedle vrouw,
Waartoe niet één der Orde komen zou,
Zich alles niet behoorlijk toe mocht dragen.
‘'k Zal bidden, zegde Vromen, met een hert
Dat waarlijk bloedt en overloopt van smert....
Heer Minne, ja, ik moet het u verklaren,
'k Zal voor haar' zielrust geene beden sparen....
Doch wat gedaan met hare nicht, de wees?
Dat wekt in mij eene ongewone vrees....’
‘Wel, zegde Minne, laat ons haar wat geven;
Ze is jong en schoon, zoo komt ze door het leven.’
‘Neen, zegde Coen, en in zijn oog blonk vuur,
Neen, zoo verliezen we alles op den duur!’
Hij was van tafel plechtig opgerezen
En stond vóór hen als een beheerschend wezen.
‘Neen! Vredecus bestemde haar den man
Op wien onze Orde rotsvast bouwen kan.
Zij spotte er meê: ze is een' dier trotsche zielen
Die dansen, juublen, maar voor niemand knielen.
Slechts nu heeft haar de smerte neêrgeplooid.
Ook nu moet zij een klooster binnentreden,
Eerlang, eerstdaags, ofwel zij doet het nooit.
Ik wil haar zien, haar spreken, - ja, nog heden.
Een klooster slechts houdt dat geheim bewaard!
Ze is maar een mensch, en 't is 't belang der Orde....
Vergeet toch niet, wie ook geofferd worde,
Dat alles daarvoor zwichten moet op aard!’