Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

VIII.

‘Ik woû met Dom wel weten of de wijn Dier oude feeks zoo smakelijk zal zijn,’ Zeî Minne en vroeg hoe lang men nog zou toeven Om hem op haar' gezondheid eens te proeven. ‘Zij rust nog onder de aarde niet, zeî Coen, En gij zoudt reeds iet zoo vermetels doen!’ Ook Vredecus zou 't lang en diep beklagen, Zoo bij 't begraven der hoogeedle vrouw, Waartoe niet één der Orde komen zou, Zich alles niet behoorlijk toe mocht dragen.

‘'k Zal bidden, zegde Vromen, met een hert Dat waarlijk bloedt en overloopt van smert.... Heer Minne, ja, ik moet het u verklaren, 'k Zal voor haar' zielrust geene beden sparen.... Doch wat gedaan met hare nicht, de wees? Dat wekt in mij eene ongewone vrees....’ ‘Wel, zegde Minne, laat ons haar wat geven; Ze is jong en schoon, zoo komt ze door het leven.’ ‘Neen, zegde Coen, en in zijn oog blonk vuur, Neen, zoo verliezen we alles op den duur!’ Hij was van tafel plechtig opgerezen En stond vóór hen als een beheerschend wezen. ‘Neen! Vredecus bestemde haar den man Op wien onze Orde rotsvast bouwen kan. Zij spotte er meê: ze is een' dier trotsche zielen Die dansen, juublen, maar voor niemand knielen. Slechts nu heeft haar de smerte neêrgeplooid. Ook nu moet zij een klooster binnentreden, Eerlang, eerstdaags, ofwel zij doet het nooit. Ik wil haar zien, haar spreken, - ja, nog heden. Een klooster slechts houdt dat geheim bewaard! Ze is maar een mensch, en 't is 't belang der Orde.... Vergeet toch niet, wie ook geofferd worde, Dat alles daarvoor zwichten moet op aard!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove