II.
Mevrouw Urbijn zegde eenmaal tot heer Vromen ‘'k Heb eigendom zoo wat ten allen kant: 't Zijn huizen daar, en elders is het land; 'k Heb bosschen ook, maar weet niet welke boomen.... Zet mij dat al eens op een blad papier, Maar kort en goed, en brengt het dan naar hier.’ En Vromen droeg mevrouw, na weinig' dagen, Den staat dien zij hem wel had willen vragen. 't Geluk blonk hem in de oogen als hij trad In 't muf salon waar zij te wachten zat. Hij wenschte haar geluk om een vermogen 't Welk ouden adel waerdig was, en dat, Zoo zij het woû, nog merklijk kon verhoogen.
Dan las hij 't blad papier met stille stem, En trotsch en blij bewonderde zij hem.... Het bleek haar dra dat, liet zij hem betijen, Met menig' hoeve en hare landerijen, Ze een derde meer zou trekken dan de som Die jaarlijks kwam van al dien eigendom. ‘De boeren, sprak hij, dragen grove kleêren, Maar koopen grond en worden rijke heeren, En trouwen zij dan hunne dochters uit, Eene eigne hoeve is de uitzet elker bruid. Dat voedt den trots dier lieden, die vergeten Dat zij toch steeds uwe onderdanen heeten....’ Dan las hij voort, en hield hij somtijds op, Zoo wenschte hij dat zij nog vele jaren Met zulk fortuin God's zegen mocht ervaren, En men 't na haar ook zorgvol mocht bewaren; Doch bij dat laatste schudde hij den kop.... Mevrouw had ook in Vlaandrens arme streken, Niet wijd van Gent, een aantal huisjes staan, Met elk een' stal, en elk een' moestuin aan, Om eene koei en groenselwaar te kweeken. Daar woonden wevers, arme wevers, in, Met heel een oud en heel een jong gezin. De tuin, - de tuin gaf 't brood hun, dat het weven
Der vaders aan zoovelen niet kon geven, En Vromen zeî dat eene rijke vrouw, Een' fabrikante, ze allen koopen woû; Dat ze een kasteel dichtbij er had doen bouwen, Dat heerlijk was, recht heerlijk om te aanschouwen, En dat zij in den blijden glans der zon Die kleine huisjes niet verdragen kon. Zoo al dat land te koop waar, met genoegen Kocht zij het aan, om 't bij haar hof te voegen. ‘Ja, zegde hij, mevrouw, uw landlijk goed Houdt schatten in die gij niet eens bevroedt. Denk ik daarbij aan renten, deelen, loten, Dan roep ik uit: hoe groot zelfs tusschen grooten! ....Dat zulk fortuin ten goede niet altijd Bestuurd zal zijn, vervult mijn hert met spijt....’ En bij dat woord, nog droever dan te voren, Hoofdschudde hij en liet hij zuchten hooren, Zoodat mevrouw hem zelve onrustig vroeg Wat hij verborg en wat hem vrees aanjoeg. ‘Ach, zegde hij, nooit zou 'k het mij vergeven, De zoete vreugd te storen van uw leven. Geniet met vrede in uwen ouden dag Een heil dat ieder niet genieten mag. 't Zij, na uw' dood, als God het zal beschikken.
Laat mij alléén voor menschlijke ondeugd schrikken....’ En hij boog 't hoofd op zijne borst, als viel Het onder 't leed dat heerschte in zijne ziel. ‘Heer Vromen, spreek! 'k wil alles, alles weten!’ Riep thans mevrouw van wreeden angst bezeten. ‘Dewijl gij 't wilt, verneemt dan, Eedle vrouw, Wat u mijn mond zoo graag verzwijgen zou.’ En hij verhaalde, als mochte zij 't vergeten, Wat Bertha zich aan tafel had vermeten; Ook welken hoon, wat schande nooit gehoord, Zij Vredecus gedaan had aan de poort. ‘Dat, zegde hij, al weet men 't allerwegen, Heeft zijn Eerwaerde aan iedereen verzwegen. Hij bidt dat uw fortuin, na uwe dood, Niet strekke tot wat zondig is en snood....
Eens, ging hij voort, 'k had in de kerk gebeden, Was ik bijna den tempel uitgetreden, Als Nelleken me in 't oog viel, die geknield Te weenen zat en 't hoofd gebogen hield. Zij zat alleen, in eenen hoek verdoken; Daar heb ik haar met deernis aangesproken, En ik vernam dat zij dus weende om wat Uw nichtje jegens u misdreven had.
Zij zegde mij wat onlangs, vóór elks oogen, Door een' poelier, u hoonends, was geplogen, En dat uw eigen nichtje sedert dan Wild had gekocht van dien verwaten man, Ja, dat zij lang; spijt Nelleken haar smeeken, Met hem had staan te lachen en te spreken....’
Cookies on Poetry Cove