Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

IV.

En 's andrendaags, vóór al de groenselkramen, Nam Schoone Beth weêr plaats in op de Meir; En een voor een, als de andre wijven kwamen,

Beet elk haar toe: ‘Gij komt lijk toch nog weêr? Zal zij die brood van u kreeg om te leven, U nu geen deel van haren rijkdom geven?’ ‘Hoort, zegde zij, wanneer het noodig is, Heb ik voor u nog plaats aan mijnen disch.’ En Willem ook moest op den Oever hooren: ‘Wat vriend, wat vriend!’ maar 't kon hem niet verstoren, Want frisch als rozen daagden t'allen kant, Los aangekleed, met korfjes aan de hand, Zijn' meidjes op, die blozend hem bekeven, Omdat hij eens - maar ééns - was weggebleven. Dan, weêr was 't uitverkoopen hem een spel: Hij reed naar huis en riep tot elk ‘vaarwel!’ Wanneer het pas half negen was geslagen, Zoodat de kraamsters hem maar loensch bezagen En heimlijk hem verwenschten naar de hel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove