X.
Den zelfden dag als zij ten grave zonk, Liet haar gemaal om beî de vrienden zenden, Die het geheim van al 't gebeurde kenden. Er was een angst, die zijne ziel doordrong: Hij vreesde dat hun zou een woord ontvallen Dat, hem ter schande, door het land zou schallen;
Dut zelfs de laster 't lijden zijner vrouw Misschien geheel op hem nog werpen zou. Hij liet dus Willem roepen met de bede: ‘Brengt uwen vriend, den advokaat, ook mede.’ En als het paar in zijn paleis verscheen, Ging hij met hen in eene zaal alleen. Hij stapte er denkend eenmaal heen en weder, En zette zich dan moedloos vóór hen neder. ‘Gij kunt mij, sprak hij stil, gij kunt mij meer Ontrooven dan fortuin en leven, - de eer. De naam van Thorveld staat in 's lands chronijken Op menig blad met roem en deugd te prijken, En immer sprak de vader tot den zoon: ‘Doe ieder wel, maar duld nooit iemands hoon!’ Zoo is mijn stam tot heden rein gebleven Van smaad en schande die op andren kleven; Zoo vreet geen roest in 't eeuwenoude schild 't Welk de eerste Thorveld heeft omhoog getild. Ik ben de laatste; - 't blijkt uit mijne haren Dat geene vrouw mij nog een kind zal baren.... Ik ben de laatste, en van de wereld af, Draag ik den naam alleen niet in het graf. Zegt, gij die 't weet, zegt, zal hij achterblijven Opdat men hem verachtend neêr zou schrijven,
Opdat al wie van mijne vaadren leest, Ook schimpend denke wat ik ben geweest?’ En op dien toon, met sidderende lippen, Bezwoer hij hen, geen woord te laten glippen Van wat zij wisten over haar die hij Als gade had gevoerd aan zijne zij'. Hij zegde hun hoe men haar had bedrogen, Hoe lang en diep zij boete had geplogen, En hoe zij had verzucht naar 't meisje dat Zij op haar sterfbed weêrgevonden had. Hij zegde dat hij hoopen gouds zou geven, Om 't arme kind te helpen in het leven, Op één beding: dat niemand hoorde of las Dat vrouwe Thorveld hare moeder was. ‘Dat, sprak hij hun, zult gij bij eede zweren! Vraagt mij daartoe al wat gij moogt begeeren, En zweert mij ook, zweert, bij den Christus daar: Zegt nooit, mijn' vrouw baarde eenen moordenaar!’ Hij wees een kruisbeeld aan, uit steen gehouwen, Dat van den muur hen fronsend scheen te aanschouwen, En hij zag bleek en beefde, of al zijn bloed Stil stond, zoo zeer geschokt was zijn gemoed.
Cookies on Poetry Cove