Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

VI.

Dus - aan de kim, zoo verre als de oogen reiken, - Stond hij vóór een, in 't midden van den nacht. Het lag omringd van vestingmuur en gracht En als verloren tusschen reuzeneiken. ‘Daar zucht zij....’ spraken mond en hert te zaâm. Dies klom hij in de kruin van een' der boomen, En zag ze, vóór haar open vensterraam, Bleek en met tranende oogen zitten droomen. Hij bindt een kempen touw aan eenen tak, En slingert zich in 't venster over 't dak; Weêr klimt hij op van waar hij was gekomen;

Zij hangt bezwijmd aan zijnen hals, en hij, Hij gilt het uit: ‘Dank, Heere! zij is vrij!’

Hij zag niet, schoon hij stond met glansende oogen, Wat donderwolk het zwerk had overtogen; Een bliksemstraal schoot vóór zijn aanzicht heen: - Eilaas! zij was nog niet hervonden, neen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove