V.
‘En thans!’ riep Hugo, en zijne oogen schoten
Vuursprankels uit, ‘thans timmert men 't schavot!
Hij moet er op, - er is geen ander lot
Waarmêe zulk leven waerdig wordt gesloten....
Hij is niet goed, niet deugdzaam zoo als wij:
Hij schond de wet; neemt wraak, o maatschappij!
Ja, wreken we ons, wij die de wetten schreven,
Niet ééne voor, maar allen tegen hem.
Hij is alleen, wat moet er ons doen beven?
't Geweten smoore en stikke zijne stem!
Vloek over ons! vloek over 't samenleven!
Hij moordde, moordde, - maar, o huichlarij!
Wij allen hier zijn schuldiger dan hij!
Gij', jury, gij die hem zult ‘plichtig ‘zweren,
En dan gerust de wereld in zult keeren,
Waar gij verschalkt, zwoegt, schrafelt en geniet,
Zit onder u zijn vader niet?
Gij, rechters, die de doodstraf uit zult spreken,
Hebt gij wel nooit het liefdevuur ontsteken
In eene maagd, en beeft niet uwe ziel,
Indien door u het meisje viel?
En aan 't schavot, gij, volksvrouw, die hem lastert,
Die praat en lacht, hadt gij nooit eenen basterd?
Wierpt gij hem niet, op 't uur van middernacht,
In hoek of kant, aan vest of gracht?
Gij, beul, gij-zelf, die 't hoofd hem af zult houwen,
Zwoert gij nooit trouw aan eene dezer vrouwen?
Was 't niet omdat gij eerloos haar verliet,
Dat zij haar kind - uw kind - verstiet?
Ik, jongeling, kan niet zijn vader heeten;
Mijn broeder is hij toch! roept mijn geweten;
Mijn broeder is die mensch! - en God verhoed'
Dat ik de hand doope in zijn bloed!’