X.
En Frits, pas weêrgekeerd van eene reis,
Lag in de schoonste zaal van zijn paleis,
Nadenkend op het zoet genot des levens,
Op geld en goed en zijnen vader tevens.
De man was dood, maar dood in vromen peis,
Want geene duit ontbrak er bij zijn sterven
Aan gansch de somme die zijn zoon moest erven.
‘Nog éénen nacht, en heel die schat is mijn,
Dacht Frits, en elke dag zal zalig zijn.’
Een zoete glimlach speelde om zijne lippen....
Een vrouwenbeeld beschouwend aan den wand,
Hief hij zijn hoofd, het leunend op de hand,
En liet den naam ‘Bianca’ zich ontglippen.
Bianca?... Wie ze zijn moog' die daar praalt,
De schilder heeft ze godlijk afgemaald.
Uit Eva is nooit schoonre vrouw geboren.
Meer wellust kan geen mannenhert bekoren
Dan uit heure oogen, lachende oogen, straalt.
‘En zij is mijn! spreekt Frits, en naar verlangen
Mag ik die vrouw aan mijnen boezem prangen!
Mijn leven zij één lange bruiloftsnacht....
Haar niet alleen zal ik in de armen rusten:
Onnoozle maagden, die nooit minnaars kusten,
Zoovele schoonen als mijn hert zal lusten,
Boeie ik aan mij, betooverd door de pracht!’