VIII.
Wanneer de jury nu de zaal verliet,
Om neêr te schrijven ‘schuldig’ of ‘onschuldig,’
Herhaalde een hunner, gram en ongeduldig:
‘Zit onder u zijn vader niet?’
Hunne uitspraak kon niet twijfelachtig wezen;
Ook kwamen zij weêr spoedig in de zaal,
En werd het ‘schuldig’ plechtig voorgelezen,
Bij duren eed, in ongeroerde taal.
Toen rees de grijzaard op van zijnen zetel,
Ontblootte zich den eerbiedwaerden schedel,
En sprak het vonnis, dat de straf der dood
Bij klaren dag in 't openbaar gebood.
Hij voegde er bij en ging zijn hert te rade:
‘Geve u de Vorst, en geve u God genade!’