IX.
O schoone tijd van ons kwâ-jongensleven!
Hoe ieder uur vol zalige angsten is!
Wie is er niet die ruim een' keer of zeven
Op ééne week, schoon zwemmend als een visch,
Ai mij, zoo na! in 't water is gebleven?
Die menigmaal, in 't schoonste van de Mei,
Vermetel klom in 't hoogste van de boomen,
En eens, met een ellendig eksterei,
Hals over kop beneden is gekomen?
Dan loopt men met de schelpen heen.... - Aldus
Deed Willem ook met zijne doode musch.