VI.
Doch Schoone Beth, inmiddels thuis gekomen, Had op den zolder zijn gerucht vernomen. Zij had sinds lang naar dezen dag gewacht, En nu een flink paar laerzen meêgebracht, Voor zijn' besteek. Zij wilde hem verrassen, Te midden zijner vrienden, zoo zij dacht, En klom op hare zokken, traag en zacht, Den trap op, momplend: ‘Zoo zij hem maar passen!’ De goede vrouw borg ze achter heuren rok, Terwijl zij stil het deurken opentrok.
Zij stak heur hoofd al snuffelend naar binnen, En Willem stond zoo als een tooneelist Die met de schim van Hamlet's vader twist. De moeder dacht: ‘Is hij van zijne zinnen?’ En kuchte eens, schier niet wetend hoe beginnen. ‘Ge zijt alleen? Ik meende, naar 't geloop En luid geklap, er was een heele hoop....’ Op deze stem, men hoeft het niet te vragen, Stond Willem eerst wat uit zijn lood geslagen; Dan lachte hij en sprak: ‘Wat heb ik spijt, O moeder, dat gij hier gekomen zijt! Ik was mij 't schoonste luchtkasteel aan 't bouwen, Dat ooit een mensch in droomen mocht aanschouwen!’ ‘Een luchtkasteel? Dan doet gij zoo als ik, Sprak Schoone Beth met vreugd in haren blik. Ja, jongen lief, van schoone dingen droomen Is een geluk, dat niemand kan ontnomen. Droomt dus maar op! maar doet alever niet Zoo als een kind dat eene zeepbel ziet: Het blaast, ze berst, - daar valt het aan het schreien.... Zou uw gedroom u ook zoo verre leien?’ ‘O moeder! juichte Willem, o! weet wel, Mijn wensch geleek aan geene waterbel!’ ‘Wat was het dan?’ vroeg Beth met gretige oogen.
En Willem sprak, nog immer opgetogen: ‘Ik wenschte, wenschte.... och, hemel! een miljoen!’ ‘Zoo.... zegde zij; wat zoudt ge er mede doen?’ Op deze vraag, fijnspottend uitgesproken, Stond Willem of de tong hem hadde ontbroken. Hij stotterde: ‘Maar, moeder, een miljoen!’ ‘Goed, zegde zij; wat zoudt ge er mede doen?’ Zij lonkte hem zoo loos en vinnig tegen Dat Willem om een antwoord was verlegen. ‘Och, zoon, hoe hebt ge 't in uw hoofd gekregen? Rijk wilt ge zijn, en slapen tot den noen? Den fijnsten drank en 't lekkerst eten koopen, En na den disch, vol truffels en vol wijn, Op feesten achter zijden rokken loopen? Met vrienden gaan, en de arme menschen stroopen? O jongen lief! hoe kunt ge zoo toch zijn? Gij wilt hier weg en een paleis bewonen? Ik zelf zou mij naast u niet mogen toonen, Omdat ik oud en eene werkvrouw schijn? Gij wilt u in een' breeden mantel draaien, En zuur zien met een glaasken in uw oog? Uit uwe koets naar 't werkvolk op de kaaien Niet neêrzien, maar op zij' of naar omhoog? Gij wilt den heelen dag u hooren fleemen?
Al wie u spreekt, moet zijnen hoed afnemen? En aan de deur vliegt elke meid of knecht Die zoo niet doet, al hebt ge zus gezegd?’ ‘Och, moeder! moeder! liet nu Willem hooren, Staakt uw sermoen, of ziet, ik stop mijne ooren! 'k Wil al het geld der wereld niet voor 't lot Dat gij bedoelt, en waar ik mede spot. En bovenal waarom zou ik verhuizen? 'k Slaap hier gerust, omhuppeld door de muizen, En 's morgends knikt de heele straat mij toe, Wanneer ik rook en 't raamken open doe. Maar een miljoen is onder al de wenschen De wijsste bij den dommen hoop der menschen: Het maakt de borst zoo machtig en zoo vrij! Zoo denkt het Hugo, en hij zegde 't mij. ‘Hoort, sprak hij, de armoede is de slavernij.... Zij doet een kind dat nauwelijks kan spreken, Met tranende oogskens om wat voedsel smeeken, Terwijl een oude, stram en half geplooid, Van zijn kaal hoofd den hoed neemt als hij schooit. Zij hebben toch geene euveldaad te boeten?... O! de eene mensch den andren aan de voeten Roept wraak bij God!’ - En Hugo had gelijk! O, moeder, moeder, waren wij eens rijk!
Ik wil 't voor mij, en gij voor u niet vragen: 'k Zou bij de boeren nog om groensel gaan, En gij, als nu, er op de merkt meê staan; Maar 'k zou met u uitrijden alle dagen, En zooveel gelds ronddeelen, zooveel goeds, Dat de armen zouden dansen om onz' koets! Dan zou mij niets doen aarzelen noch schrikken. Ik zou de grooten vlak in de oogen blikken, Hen neêr doen zien bij 't kwetsen mijner taal. De waarheid is een zwaerd van blinkend staal! 't Zou stichtend zijn, zoo een van huns gelijken Met ruwheid sprak tot de opgeblazen' rijken, En koddig, door de stad hem te zien gaan, Zoo als vandaag, met scheeve schoenen aan.’
Cookies on Poetry Cove