Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

VII.

Een uur nadien, met neêrgeslagene oogen, Stond Vromen vóór het ziekbed neêrgebogen. Hij loosde zuchten, wischte meengen traan, Zwoor dat hij haar ten dienste zoude staan En dat, uit zijne handen, haar vermogen In die der paters recht zou overgaan. Zij sprak dus weêr: ‘Laat een' notaris komen.’ En Vredecus ging henen met heer Vromen.

‘Wie?’ vroeg hij hem en deed de deure toe. ‘Niel,’ was het antwoord; doch de pater morde: ‘Notaris Niel? die vijand onzer Orde? Dat opperhoofd der haters? Vriend! welhoe?...’ ‘Ik ken hem,’ lachte Vromen, en zijn wezen Liet in de diepte zijner ziele lezen. ‘Geen kwezelaar! vervolgde hij met klem: Het dom publiek zal zwijgen, vriend, om hem!’ Glimlachend sprak daarop de pater: ‘Immer De zelfde vos, ja, dagelijks nog slimmer!’ En Nelleken hing haren mantel om, En liep om Niel als om een' bruidegom.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove