III.
De dag ging om, en weder werd de nacht
In heete koorts en woelen doorgebracht.
Dan biechtte zij, en Vredecus leende ooren
Voor welke zucht noch aarzling ging verloren;
En als zij na lang fluistren had gedaan,
Bleef hij vóór 't bed als in gedachten staan.
Dan vroeg hij haar of diep in haar geweten,
Om haar fortuin, haar niets en werd verweten,
Of niets haar knaagde, diep in haar gemoed,
Om 't geen men doen mocht met haar wereldsch goed?
Zij zag hem aan, als wilde zij hem klagen
Dat ze inderdaad voelde aan heur herte knagen,
En hij sprak dus: ‘Bedenkt, hoogeedle vrouw,
Dat al het kwaad waartoe na uwe dagen
Met uw fortuin zou worden bijgedragen,
Op uwe ziele nedervallen zou....’
Zoo gaat hij voort: ‘Het goede, daarentegen,
Zou bij den Heer ten uwen heile wegen....’
En daar hij zweet ziet paerlen op 't gezicht
Der zwakke vrouw die vóór zijne oogen ligt,
Verhaalt hij dat in nooit volprezen' tijden
Schier geene abdij, geen klooster werd gesticht,
Dan met het geld van eedlen opgericht,
Om zich van 't vuur der helle te bevrijden;
Dat menig Heer, die gansch zijn leven God
Getergd en met Zijne almacht had gespot,
Plots van den last der zonden werd ontheven,
Als hij zijn goed aan kloosters had gegeven.