Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

III.

De dag ging om, en weder werd de nacht In heete koorts en woelen doorgebracht. Dan biechtte zij, en Vredecus leende ooren Voor welke zucht noch aarzling ging verloren; En als zij na lang fluistren had gedaan, Bleef hij vóór 't bed als in gedachten staan. Dan vroeg hij haar of diep in haar geweten, Om haar fortuin, haar niets en werd verweten, Of niets haar knaagde, diep in haar gemoed, Om 't geen men doen mocht met haar wereldsch goed? Zij zag hem aan, als wilde zij hem klagen

Dat ze inderdaad voelde aan heur herte knagen, En hij sprak dus: ‘Bedenkt, hoogeedle vrouw, Dat al het kwaad waartoe na uwe dagen Met uw fortuin zou worden bijgedragen, Op uwe ziele nedervallen zou....’ Zoo gaat hij voort: ‘Het goede, daarentegen, Zou bij den Heer ten uwen heile wegen....’ En daar hij zweet ziet paerlen op 't gezicht Der zwakke vrouw die vóór zijne oogen ligt, Verhaalt hij dat in nooit volprezen' tijden Schier geene abdij, geen klooster werd gesticht, Dan met het geld van eedlen opgericht, Om zich van 't vuur der helle te bevrijden; Dat menig Heer, die gansch zijn leven God Getergd en met Zijne almacht had gespot, Plots van den last der zonden werd ontheven, Als hij zijn goed aan kloosters had gegeven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove