II.
Voorwaar, zij lag om niet meer op te staan....
De nacht ging om in een gedurig woelen,
Het hoofd zoo heet dat men het niet kon koelen,
In eene koorts die niet wilde overgaan.
De dienstmeid moest geneesheer Bal doen komen,
Doch zij liep eerst naar Vredecus en Vromen.
Na zijn bezoek verklaarde doktor Bal:
Er is geen kruid dat haar nog redden zal,
En gaf den raad om iemand heen te zenden
Tot hen die zij als bloedverwanten kenden.
De pater ging aan 't bed: hij troostte haar,
Verdreef 't gedacht van erg zijn en gevaar,
Doch voegde er bij, dewijl zij t'allen stonde,
Als iedereen, vóór God verschijnen konde,
Dat hare ziele rein moest zijn van zonde
Gelijk een spiegel vlekkeloos en klaar.
Hij maant haar aan, hij, een van Gods gewijden,
Hem elke zonde en twijfel te belijden,
En vraagt, bekommerd, of ook nacht en dag
Op hare kamer iemand bidden mag,
Een heilig man, als pater Coen, wiens bede
Den hemel noopt tot zegening en vrede....
Zij stemde toe, en 't duurde nu niet lang
Of Coen kwam in en knielde op eene bank.