Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

II.

Voorwaar, zij lag om niet meer op te staan.... De nacht ging om in een gedurig woelen, Het hoofd zoo heet dat men het niet kon koelen, In eene koorts die niet wilde overgaan. De dienstmeid moest geneesheer Bal doen komen, Doch zij liep eerst naar Vredecus en Vromen. Na zijn bezoek verklaarde doktor Bal: Er is geen kruid dat haar nog redden zal, En gaf den raad om iemand heen te zenden Tot hen die zij als bloedverwanten kenden. De pater ging aan 't bed: hij troostte haar, Verdreef 't gedacht van erg zijn en gevaar, Doch voegde er bij, dewijl zij t'allen stonde, Als iedereen, vóór God verschijnen konde,

Dat hare ziele rein moest zijn van zonde Gelijk een spiegel vlekkeloos en klaar. Hij maant haar aan, hij, een van Gods gewijden, Hem elke zonde en twijfel te belijden, En vraagt, bekommerd, of ook nacht en dag Op hare kamer iemand bidden mag, Een heilig man, als pater Coen, wiens bede Den hemel noopt tot zegening en vrede.... Zij stemde toe, en 't duurde nu niet lang Of Coen kwam in en knielde op eene bank.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove