IX.
Die toon, die blik, die wil had al de vaadren,
En Vromen meest, doen rillen tot in de aadren.
‘Ja, zegde Vromen, ze is zoo licht van zin
Dat ik het wensch dat men vandaag beginn'.
Eer haar gemoed ter vreugde weêr zal keeren,
Moet zij reeds lang het kloosterleven leeren....’
En kort daarna was alles weggedaan,
En reed de koets weêr pijlsnel langs de baan.