VII.
En Vromen riep, geestdriftig opgerezen:
‘Zoo moet het zijn, - ja, vrienden, 't moet zoo wezen!
Ware ieder als ik liberalen ken,
Zoo ware ik niet wat ik geworden ben.
De schranderen uit alle staatspartijen
Verstaan elkaâr, hoe de andren zich bestrijen.
Daar heeft men Niel, - er is bij mijne ziel
Geen beter man dan die notaris Niel!
Valt iemand uit op kloosters en op paters,
Dan toont hij zich de hevigste onzer haters,
En praat hij met eene oude, goede sloor,
Dan spreekt hij kerk en non en monik voor.
Zoo heeft hij in de stad het meeste vrinden,
En wint hij geld bij allerlei gezinden.
Laat hij de kiezers stemmen over hem,
Schier iedereen vertrouwt hem zijne stem.
Dat is de man! - Zoo breidelt men de dwazen
Die gansche dagen van vooruitgang razen!
Den schrandren gaat intusschen alles wel,
En 't gapend volk betaalt het poppenspel....
Op Niel!’ - En Vredecus zegde onder 't klinken
Dat hij met Niel wel eens zou willen drinken.