IV.
Zoo trad mevrouw Urbijn, verhit van zinnen, Met Nelleken de wijde koetspoort binnen. Daar kwam tot haar, met zijne zoetste taal, Heer Vredecus, die wandelde in 't portaal. Hem volgde een heer met neêrgeslagene oogen, Den hoed af en eerbiedig ingetogen. De pater had mevrouw haar stem gehoord; Nu zag hij haar verbitterd en gestoord, Zag ook de meid naar hare keuken sluipen, En hield terstond, op diep ontroerden toon, Op de onderhoorgen zulk een streng sermoon, Dat Nelleken, aan zijnen lof gewoon, Van gramschap heete tranen neêr liet druipen. ‘Wat wordt, sprak hij, de rust van hert en hoofd, Door meid en knecht, den meester vaak ontroofd! Veel erger nog: hoe vaak gaan ze onbezonnen, Oneerlijk om met 's meesters geld en goed,
Zoo zoet geërfd, veelal zoo zuur gewonnen....’ Daarom had hij, met blijdschap in 't gemoed, Ter eere Gods, zich naar mevrouw gespoed, Om met geluk Hare Edele aan te konden Dat hij voor haar heer Vromen had gevonden, Wiens kunde in 't vak, bij weergâlooze trouw, Haar wereldsch goed met zorg beheeren zou....
Heer Vromen was de man die hem verzelde. Hij boog zich dieper, prevelde dat hij Zijne ondervinding haar ten dienste stelde, En sprak: ‘Daartoe sta God de Heer mij bij!’
De pater noemde een aantal rijke lieden Wier aardsch vermogen Vromen door zijn vlijt Aanmerklijk had vergroot op korten tijd. Hoeveel te beter zoû dat hier geschieden, Dewijl mevrouw meer lands had dan misschien Een menschenoog in eens kon overzien, En haar verteer slechts weinig kon bedieden, Dewijl hare Edelheid met hertelust Een leven sleet van eenzaamheid en rust, Met een jong nichtje en twee onnoozle meiden,
Of, wijzer nog, slechts ééne tusschenbeiden, Die baden, kuischten en den disch bereidden....
Met eenen glimlach hoorde zij het aan, En vroeg hun, meê in eene zaal te gaan.
Cookies on Poetry Cove