VII.
O! dorst zij hem bekennen wat haar grieft!
Hij heeft altijd zoo innig haar geliefd:
Misschien zou hij de zonde haar vergeven,
De zonde die zij afkoopt met haar leven.
Dan zoude zij, ontschuldigd door de straf,
Ten minste rust genieten in het graf.
O ja, zij wil vóór zijne voeten kruipen,
Zij zal met hare tranen die bedruipen,
Hem smeeken, bij de dood die haar verbeidt,
Dat haar zijn vloek niet volge in de eeuwigheid....