XII.
Het was wel niet dat hij van liefde grouwde;
Maar dat zijn plan dus gansch in duigen viel,
Was eene ramp die hem zoo innig rouwde,
Dat hij van woede ontvlamde in zijne ziel.
Dat was, voorwaar, een christelijke toren:
Frits zou dus nooit der Orde toebehooren?
Het was gedaan: geen scheermes aan zijn' kruin....
Hij had nochtans zoo lokkend een fortuin
Dat heel de zwerm der eerbiedwaerde paters
Gejuicht had om de zuil die hun gebouw,
Hoe stevig reeds, zoo zeer versterken zou,
En menig hunner, met den lach der saters,
Den ondergang voorspeld had van den vorst,
Ja, van den Staat die hun mishagen dorst.
En zoo gezwind was al die hoop vervlogen
Door de enkle schuld van twee verleidende oogen!
Geen wonder dus dat Vredecus, den dag
Als hij 't vernam, vol koorts te bedde lag.
De kalmte kwam hem echter spoedig weder;
Hij zegde: ‘Wat gedaan is, is gedaan....
Veel eerder viel de hoofdkerktoren neder
Dan Frits nu nog een klooster in zou gaan.
Een enkel middel zie ik overschieten:
Hij blijve toch de vriend der Jezuïeten;
In hem zit stof voor alles wat een man
Als ik om God nog ondernemen kan.’
En als nu Frits, met haar die hem verzelde,
Van zijne reis terugkwam aan de Schelde,
Sprak Vredecus tot zijnen huisknecht: ‘Gauw!
Draagt, Benjamin, mijn kaartjen aan mevrouw.’