Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

VII.

Doch ziet, - daar kwam de kranke Blinde weder: - Hij kon niet meer; zijn hoofd hing zwaarder neder; Half slepend trad hij achter zijnen hond. Het beest zag om en scheen om hulp te smeeken; Stil jankend blikte 't in de buurte rond, Of niemand, niemand op de strate stond, Die eene hand den grijzaard toe zou steken.... Snel als 't gevoel dat welt in hun gemoed, Zijn beide vrienden van het raam verdwenen, En ijlen den geknakte te gemoet, Wien zij de spierkracht hunner armen leenen.

Zij brachten hem naar zijne woning henen; En de oude veedlaar zuchtte dat de trap Niet meer zou kraken onder zijnen stap, Dat zijne baan ten einde was gewandeld, Maar hij op aarde liefdrijk had gehandeld. Eilaas! de vondelinge had elk woord Bleek als een doek en bevend aangehoord. Met eenen zielskreet ijlde zij hem tegen. Ze omarmde hem, uitberstend in getraan, En hij, op eenen leunstoel neêrgezegen, Hij weende mede en gaf haar zijnen zegen.... Hij boog zijn hoofd zoo smertlijk aangedaan. De vrienden stonden diep ontroerd en zwegen. Dan strekten zij hem op zijn stroobed uit. Bleeke Ida knielde er vóór en snikte luid. Hij wenschte dat men Schoone Beth zou halen. Zij kwam, en toen zij haren blik liet dwalen Van hem, die stierf, op haar, die blijven zou, Alleen en arm, verstooten en in rouw, Borst ze ook in tranen uit, de goede vrouw. 't Was een tooneel van pijnelijke smerte. De veege sprak: ‘Ik ken uw edel herte; Mag U de Blinde zeegnen, vrome Beth, U zeegnen eer de Dood het hem belet?

Zoo weest voortaan mijne Ida eene moeder; Waakt over haar, en zij uw zoon haar broeder.... Niets heeft zij, niets, dan hare deugd op aard. 'k Was haar een vader, dat weet de Albehoeder; 'k Heb haar geluk als eenen schat bewaard!’ Hij hief ten hemel zijne bevende armen, En bad dat God het meisje zou beschermen. Dan sprak hij haar met woorden teêr en zoet, De laatste van zijn liefderijk gemoed: ‘O moget gij nog uwe moeder vinden! Mij was 't vergeefs.... Kind, ik heb al gedaan Wat doenlijk was voor mij en mijne vrinden.... Wenscht haar geen kwaad, wat gij ook uit moet staan!’ Hij had heur hoofdje zacht tot hem getrokken, En sluimerde in, gelaten in zijn lot, Vol van de hoop dat hij weldra vóór God Ontwaken zou met stralen om de lokken, Niet blind meer, neen, met helder aangezicht, En eeuwig zich zou baden in het licht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove