X.
En Willem had gezien, gevoeld, verstaan.
‘Op eens verliefd! Wat vangt hij nu toch aan?
Heeft hij een' slag gekregen van den molen?’
Zoo sprak hij stil, maar niettemin was blij;
En toen zijn vriend naar huis was, zegde hij
Tot zijne moeder: ‘Komt eens hier bij mij.
In plaats van twee, denkt na, nu zijn er drij;
En 'k wil dat Ida recht gelukkig zij; -
Zoo dus, van morgen af verkoop ik koolen....
Dat ik ze koope, is waarlijk niet genoeg.
Ja, lacht maar op, ik blijf niet ledig loopen
Den halven dag, en wil van morgen vroeg
Op mijne wijze ook groenselwaar verkoopen!
Zij gaapte, en zag hem aan met eenen blik
Die zeggen woû: ‘En ik dan, zoon, en ik?’
‘Gij op de Meir, ik, sprak hij, op den Oever!’
‘Dat gaat u? vroeg ze; doet naar uwen schik.’
Zij keurde 't goed met lach en hoofdgeknik;
Zij kende hem, - haar Willem was geen snoever.
En 's andrendaags, ter nauwer uur was 't dag,
Wanneer men hem reeds op den Oever zag.
Hij loste vrolijk zijnen vollen wagen.
Hij was alleen een' gansche schilderij:
Zijn' leerzen scheef en zijne klak op zij....
't Was een vermaak voor allen die het zagen,
En geene jonge meid kon hem voorbij.
Hij werd benijd door al de groenselwijven,
Die lust gevoelden om met hem te kijven;
En ‘Schoone Willem’ was al uitverkocht
Eer menige andere iets ontvangen mocht.