Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

X.

En Willem had gezien, gevoeld, verstaan. ‘Op eens verliefd! Wat vangt hij nu toch aan? Heeft hij een' slag gekregen van den molen?’ Zoo sprak hij stil, maar niettemin was blij; En toen zijn vriend naar huis was, zegde hij Tot zijne moeder: ‘Komt eens hier bij mij. In plaats van twee, denkt na, nu zijn er drij; En 'k wil dat Ida recht gelukkig zij; - Zoo dus, van morgen af verkoop ik koolen.... Dat ik ze koope, is waarlijk niet genoeg. Ja, lacht maar op, ik blijf niet ledig loopen Den halven dag, en wil van morgen vroeg

Op mijne wijze ook groenselwaar verkoopen! Zij gaapte, en zag hem aan met eenen blik Die zeggen woû: ‘En ik dan, zoon, en ik?’ ‘Gij op de Meir, ik, sprak hij, op den Oever!’ ‘Dat gaat u? vroeg ze; doet naar uwen schik.’ Zij keurde 't goed met lach en hoofdgeknik; Zij kende hem, - haar Willem was geen snoever. En 's andrendaags, ter nauwer uur was 't dag, Wanneer men hem reeds op den Oever zag. Hij loste vrolijk zijnen vollen wagen. Hij was alleen een' gansche schilderij: Zijn' leerzen scheef en zijne klak op zij.... 't Was een vermaak voor allen die het zagen, En geene jonge meid kon hem voorbij. Hij werd benijd door al de groenselwijven, Die lust gevoelden om met hem te kijven; En ‘Schoone Willem’ was al uitverkocht Eer menige andere iets ontvangen mocht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove