VIII.
Maar Bertha was, hoe lustig van gemoed, Het meisje dat naar eigne luimen doet, Tot veel bereid om andren te verblijden, Maar dat wel minst de koppelaars kan lijden. Eens heeft mevrouw - het kostte haar geweld Zoo kwistig om te gaan met blinkend geld - Frits uitgenood met Vredecus te zamen, Die dan ook graag bij haar ter tafel kwamen;
Maar van den disch is Bertha opgestaan En spelend naar haar bloempriëel gegaan. De pater zag 't en grommelde om 't mislukken; Frits zat beschaamd te neuriën en dronk; En kon mevrouw 't misnoegen onderdrukken, Dat, rood als vuur, haar op het wezen blonk, Zij kon 't niet meer, als Nelleken haar meldde Dat Bertha zingend achter vlinders snelde.... Een andermaal trof Vredecus haar aan Vlak vóór de poort; hij waagde 't haar te spreken Van Frits zoo als hij 't nooit nog had gedaan; Maar zij, om plots de lofspraak af te breken, Riep schertsend uit: ‘Trouwt gij er dan maar meê!’ En liep weêr heen, gelijk zij 't vroeger deê.
Zij deed nog meer: op zeekren vrijdag morgen, Ging ze opgeruimd met Nelleken ter merkt, Om voor wat wild en dit en dat te zorgen, Wijl hare moei wat pijn had aan heur hert. Zij wist niet hoe ze er henen werd gedrongen, Maar regelrecht ging zij op Willem toe; Doch, bleek van angst en met den uitroep ‘hoe!’ Kwam Nelleken bij tijds vóór haar gesprongen, En zegde haar waarom mevrouw niet woû
Dat ze aan dàt kraam het minste koopen zoû. Dàn woû zij vast dien kerel eens aanschouwen (Hij had toch zoo geen schelmstuk uitgericht), En sprak hem aan en zag hem in 't gezicht, En kocht een' haas, en kon zich niet weêrhouën, In 't henengaan, te zeggen tot de meid: ‘Hij staat mij aan, - gij sloor met uw laweit!’
De kwezel zweeg, maar dacht: het zal u rouwen....
Cookies on Poetry Cove