XI.
Zoo kwam hij thuis, maar wat al vrouwen kwamen Met hun klem volk nu ook om hem te zamen! Beth keek hem aan, maar dorst niet knorren, want 't Kon zijn dat hem iets haperde aan 't verstand. Doch Willem zegde dat zijn oor genezen, Dat Mie al hunkrend er was uitgerezen, En vroeg haar fier hoe zij het beestje vond. Dan ging ze er eens, gelijk een kenner, rond, En vroeg of dat reeds eene was der schragen Waarop haar kraam zou worden opgeslagen?
Ook vroeg zij wat het kostte, en waar hij woû Dat zulk geraamte hun toe dienen zou? De heele hoop stond brandend van verlangen Om uit zijn' mond het antwoord op te vangen. Hij streek het eens, vol hoogmoed, eer hij zeî: ‘Wat mij dat kost? een' appel en een ei.... Ik ben van zin het beest wat vet te maken, En zal het dan wel maklijk kwijt geraken.’ ‘Vet, lieve Heer! waarmeê zoo al?’ vroeg Beth. ‘Met afval, sprak hij, afval make 't vet.’ Maar op dat woord kon geen van al de wijven, Geen uit den hoop, nog langer stille blijven. ‘Hoort, zegde hij, dat krijg ik wel gedaan; Het heeft geen' nood, het moet niet spoedig gaan: Intusschentijd zal 't dienst doen alle dagen. Van morgen af span ik het in den wagen. Dat wil ik u algauw eens toonen: - ziet!’ Maar 't ros, eilaas, kon in de dissels niet. Alweder kon de omringende hoop vrouwen Met hun klein volk geene effen' tronie houën. Hij schudde 't hoofd, als deed het hem verdriet. Dan woû hij 't beest aan ‘Rijke Trien’ verkoopen, Die zeven kindren, maar geen brood bezat; De sloor viel uit, omdat hij meende dat
Zij 't om hare ooren zoo gemaklijk had. ‘Kom, sprak hij toen, nu is het moêgeloopen En moet op stal; wij zullen later zien Of ik 't wel zal verkoopen en aan wien.’ Hij ging ermeê om 't in den vloer te zetten; Doch nu ontstond, bij woeling en gedrang, Zulk een geschreeuw van vrouwen uit den gang, Bevreesd of 't hunne kindren zou verpletten, Dat Beth hen hielp om zoo iets te beletten. ‘Toe, riep zij uit, ridmeester, 't is al goed: Rijdt weg, en komt niet weder dan te voet!’ ‘Zoo geeft mij schoenen, sprak hij, geene kleine, - Die onder 't bed - ik ben maar ééne bleine....’ Zij liep er om, en Mie reed stijf en stug Den straathoek om, met Willem op den rug.
Cookies on Poetry Cove