II.
En Vredecus zond zijnen knecht tot Vromen,
Om onbemerkt naar 't klooster eens te komen;
En als heer Vromen in de kamer trad,
Waar hem de pater af te wachten zat,
Zeî deze hem: ‘Wij hadden harde dagen....
U, waerde vriend, mag men vooral beklagen;
Nog meer dan ik zijt gij wis afgemat,
En 't weêr bij dag is drukkend in de stad.
Daar alles toch niet beter uit kon scheiën,
Gaan wij een' dag naar buiten ons vermeiën;
Gaan we eens naar 't Hof: de vlakke heîlucht is
Op weg er heen zoo zuiver en zoo frisch,
En ginds in 't boomenlommer, waar wij rusten,
Zal een glas wijn ons eens zoo lekker lusten.
Heer Coen rijdt meê; is hij wat droog en stijf,
Ook Minne zal er zijn met zijn dik lijf:
Die zal ons wel, hoe Coen hem moge laken,
't Verblijf er zoet en 't leven vroolijk maken....’