Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

II.

Den zelfden dag zijn ze alle drie geboren, Mijn Hugo, de eerste held van mijn gezang, Op zeekren zolder in den Zwanengang. Ik zou u zelfs den nummer kunnen noemen; Maar gij zijt nooit in deze straat geweest: Het is er te arm, ik wil het niet verbloemen, Want ik ben vrank met ieder die mij leest. Vrouw Martha was het beste mensch der aarde; Maar de arme sloor, voor 't knaapje dat zij baarde, Had in de wieg slechts krollen en wat stroo. 't Gaat met de goeden al te dikwijls zoo. Heur man, nochtans, met tranen in zijne oogen, Glimlachend over 't wichtje heen gebogen, Raaskalde, juichte en zwoer aan zijne vrouw Dat, zoo als hij, 't geen werkman worden zou. Hij, sjouwerman, zou slaven heel zijn leven, En zijnen zoon geleerdheid laten geven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove