II.
Den zelfden dag zijn ze alle drie geboren,
Mijn Hugo, de eerste held van mijn gezang,
Op zeekren zolder in den Zwanengang.
Ik zou u zelfs den nummer kunnen noemen;
Maar gij zijt nooit in deze straat geweest:
Het is er te arm, ik wil het niet verbloemen,
Want ik ben vrank met ieder die mij leest.
Vrouw Martha was het beste mensch der aarde;
Maar de arme sloor, voor 't knaapje dat zij baarde,
Had in de wieg slechts krollen en wat stroo.
't Gaat met de goeden al te dikwijls zoo.
Heur man, nochtans, met tranen in zijne oogen,
Glimlachend over 't wichtje heen gebogen,
Raaskalde, juichte en zwoer aan zijne vrouw
Dat, zoo als hij, 't geen werkman worden zou.
Hij, sjouwerman, zou slaven heel zijn leven,
En zijnen zoon geleerdheid laten geven.