III.
Mijn tweede held is 't kind uit een paleis.
Op dons begon het zijne levensreis,
En ook zijn vader, over hem gebogen,
Stond van geluk met tranen in zijne oogen.
Hij zegde: ‘Frits, ik erfde een half miljoen;
U zal ik vier miljoenen achterlaten.’
Hij gaf daarop zijn zoontjen eenen zoen,
Tastte in den zak waar zijne sleutels zaten,
En ging toen henen, reeknend hoe een man
Met geest als hij het meeste winnen kan.