II.
Hij lag dan weder met gevouwene armen Door 't zolderraam, de pijp in zijnen mond, Zich in den schijn der lentezon te warmen, Terwijl een heer aan zijne zijde stond. 't Was Hugo, die zoo even wederkeerde Uit Gent, met een diploom van rechtsgeleerde. ‘Zoo dus, sprak Willem, nu zijt ge advokaat! Al wat ge wilt, zult gij nu mogen zeggen, En met één woord, als ongekookten praat, Eenieders reden kunnen wederleggen? Hoort, - ik ben over eene week of tien, Zoo half verwaaid, 't gerechtshof eens gaan zien. Er zat een Moor op 't banksken der betichten, Zwart als de nacht, zoodat er menigmaal Door zeekren kwant gewenscht werd om de zaal, Bij vollen dag, met gaz te doen verlichten. Men had den Moor betrapt op dieverij. Wien hij bestal, kwam staan aan zijne zij',
En sprak: “Hij is 't, en anders geen dan hij; Dat zweer ik u! - ziet, zwart tot op de handen, En als hij gaapt, dan lachen zijne tanden!” Zijn advokaat desniettemin hield vol, De kop diens negers was een blanke bol. “Zwart?... grimde hij en is dan opgevlogen; Beziet dan toch het witte zijner oogen! Doe ik hem nu mijn' witten halsdoek aan; Wordt ook een slepend hemd hem aangedaan, En steekt men hem bij bakker Adriaan Den kop in 't meel, - ziet hem dan maar eens staan! Een witter vel wilde ik wel kijken mogen....” Hij zeî zooveel en sprak met zooveel vuur Dat gansch de jury twijfelde op den duur, En mompelde: “De schijn heeft ons bedrogen....” De man kwam vrij; de jury bovendien Liet, diep geroerd, den advokaat bedanken. Men had zich toch zoo derelijk miszien; Die brave Moor was blanker dan de blanken! Vriend Hugo, nu, ik wacht met ongeduld Dat gij hem eens nog witter wasschen zult!’ De Wroeter kon zich moeilijk wederhouën De plooi des lachs om zijnen mond te vouwen. ‘Nog steeds de zelfde! sprak hij, nog altijd
De losbol, dien ik meer dan ooit benijd! Maar gij vergeet, vriend Willem, dat zoovelen Onschuldig zitten op de zelfde bank, Die de advokaat ontworstelt aan bedwang, Ja, die hij soms den beule moet ontstelen.’ ‘Voorwaar! riep Willem, dan is de advokaat Een Godsgezant; - en gij, zult gij dat wezen? De hand daarop! en zij uw naam geprezen In ieder hert dat medelijdend slaat!’ Hij was, dus sprekend, driftig opgerezen, Hield Hugo's hand in zijne hand gedrukt, Zag hem in de oogen, glansend en verrukt, En vroeg wanneer zijn verontwaerdigd spreken De boeien eens onschuldigen zou breken, Die in den kerker tot de muren zucht Om vrouw en kroost, om zonneschijn en lucht. - ‘Vriend, was het antwoord, de eerste mensch wiens leven En eere mij ter redding zijn gegeven, Is geen van die op wier sneeuwblanke ziel Nooit eene vlek, nooit eene schande viel; Hij heeft een ijslijk gruwelstuk bedreven! Hij is maar achttien jaren, en zijn hert Is in de zonde en boosheid reeds verhard. Op eene hoef, in de eenzaamheid der polders,
Heeft dat gedrocht, in 't donker van den nacht, Eene oude vrouw onmenschlijk omgebracht, Terwijl de knechts vast sliepen op de zolders. Hij roofde 't goud en 't geld, en vluchtend stak Hij 't vuur op drie-vier hoeken in het dak, En stond van ver, met wildverwarde haren, Den brand der hoef grijnslachend aan te staren.’ ‘En zulk een monster zoudt gij willen sparen?’ Vroeg Willem, daar 't afgrijzen hem beving. ‘Dat monster, ja, - het is een vondeling....’
Cookies on Poetry Cove