Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

V.

Mijn Willem, dus, is voor den dag gekomen In de open' lucht en op den blooten grond. Zijn eerste kreet was nauwelijks vernomen, Toen al het volk er om te kijken stond. 't Was op de Meir, vlak vóór de arduinen woning, Waarin men Frits, als wierde hij eens koning, Met hermelijn, en gaas, en zijde omwond; Want ‘Schoone Beth,’ zoo als de keukenmeiden Van half de stad tot Willem's moeder zeiden, Zat op de merkt met groenselwaar te koop. Daar kwam heur kind de koolen uitgekropen;

't Was om uit gansch de stad er heen te loopen; Ook stond in eens er alles overhoop. Maar Schoone Beth let 't kind op haren wagen, Riep tot een wijf: ‘Trien, past wat op mijn goed: Ik rij naar huis’, en knikte welgemoed De boeren toe, die haar verbluft bezagen. Zoo kruide zij haar wichtje door de stad, Alras omdanst door fatsende scholieren, Die, met gezang en onder 't klakkenzwieren, De jonge vrouw zoo goed verzelden dat Zij met haar kind haar woonhuis binnentrad, Al lachend om zulk nieuw geboortevieren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove