V.
Mijn Willem, dus, is voor den dag gekomen
In de open' lucht en op den blooten grond.
Zijn eerste kreet was nauwelijks vernomen,
Toen al het volk er om te kijken stond.
't Was op de Meir, vlak vóór de arduinen woning,
Waarin men Frits, als wierde hij eens koning,
Met hermelijn, en gaas, en zijde omwond;
Want ‘Schoone Beth,’ zoo als de keukenmeiden
Van half de stad tot Willem's moeder zeiden,
Zat op de merkt met groenselwaar te koop.
Daar kwam heur kind de koolen uitgekropen;
't Was om uit gansch de stad er heen te loopen;
Ook stond in eens er alles overhoop.
Maar Schoone Beth let 't kind op haren wagen,
Riep tot een wijf: ‘Trien, past wat op mijn goed:
Ik rij naar huis’, en knikte welgemoed
De boeren toe, die haar verbluft bezagen.
Zoo kruide zij haar wichtje door de stad,
Alras omdanst door fatsende scholieren,
Die, met gezang en onder 't klakkenzwieren,
De jonge vrouw zoo goed verzelden dat
Zij met haar kind haar woonhuis binnentrad,
Al lachend om zulk nieuw geboortevieren.