Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

IV.

Dies vroeg zij hem: ‘Wat raadt ge mij te doen?’ En Vredecus sprak dus tot vader Coen: ‘Gij, wijze broeder in de heilige Orde, Gij hoort het, richt tot ons thans uwen zin:

Wat geeft daartoe de goede geest u in? Wat wil hij dat van haar fortuin geworde?’ ‘Het wereldsch goed, sprak Coen, verderft de ziel,’ Terwijl het hoofd hem op den boezem viel. ‘Wie is bestand, alléén den last te dragen Van zulk fortuin en Gode te behagen? Mijn herte beeft dat men het mij zou vragen....’ ‘Gij hebt, sprak Vredecus, ten hoogsten trap Van deugd en wijsheid u nochtans verheven; Dien last alléén te dragen doet u beven; Maar denkt, onze Orde is eene broederschap....’ ‘Ze is als de vele pijlers waar de bogen Eens tempels vast op rusten in den hoogen, Zeî Coen, wiens oog op eens van vreudge glom. Één pijler stort ter neder op zich-zelven: Gesterken staan zij onder kerkgewelven En torschen den ontzaggelijksten dom!’ ‘Dus viele 't licht, indien wij al te zamen Den zwaren last, tot weldoen, op ons namen?’ ‘Tot weldoen, broeder, zijn wij steeds verplicht. Te zamen valt de zware last ons licht. Zoo mag mevrouw gerust hare oogen sluiten: Er zal geen kwaad uit haar vermogen spruiten. Nochtans, o broeder! bidden wij daarvoor!’

En boven 't hoofd hief Coen zijne armen weder, En Vredecus knielde aan de sponde neder, En hun geprevel ruischte haar in 't oor.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove