I.
Wel kan uw boschaadje niet klappen;
Toch klinkt er een stem in mijn oor,
Waarin ik uw ruischende blâren,
Schoon Valkenberg! fluisteren hoor.
Zij zingen een lied uit de dagen,
Toen 'k speelde als een knaap in uw groen,
En koor zong om strijd met uw vogels,
Als knapen in 't Meiseizoen doen.
Of soms, in uw hof, kwam ik mijm'ren,
En dacht aan uw roemrijk Voorheen,
Uw Turfschip, met lauwren omhangen,
Uw Vrede, dien palmen omkleên.
Of 'k zag weêr de Oranje-Prinsessen,
Gedaald van gindsch vorstlijk kasteel,
Hier wandlen door 't groene geboomte,
In minder schoon groenend fluweel.
Of 'k zag - gansch een ander gezichte, -
En ditmaal niet enkel een droom! -
'k Zag rondom de maagdekens hupplen
Langs 's Vijverkoms zilveren stroom.
O! als weêr 'k uw bloesems mag rieken,
Uw nachtegaal weder hoor slaan,
't Is of 'k weêr die lente zie dagen,
En voor mij mijn jonkheid zie staan.