II.
De vesting.
En toch! Schoon 't sabbat zij, omhoog, rondom, van binnen, - Een sabbat voor den geest en sabbat voor de zinnen, - Van buiten en inwendig vreê, - Helaas! een wanklank stoort ook hier de vredepsalmen. 't Is of 'k een bloedstraal neêr zie vloeien langs de palmen. Die hier Gods hand ontluiken deê.
Wend ik ter slinke 't oog - wat ziet mijn blik daar rijzen? Kan 't zijn? In 't midden van der schepping paradijzen Een oorlogsburcht, een vestingmuur? Waar God zijn menschenkind een plaats der ruste stichtte, Kwam daar de mensch, te ras dien vrede moede, en richtte Een vuurhaard toe voor 't oorlogsvuur?
Ha! sprak hij, heeft Natuur die rotsen hier verheven, En daarin een kasteel, onneembaar schier, gegeven, Als geen Vauban of Coehoorn bouwt, - Wat zij begon, zal Kunst voltooien met haar werken: Dien rotswal zullen wij tot zulk een burcht versterken, Als nimmer elders werd aanschouwd!
En 't opzet wordt volvoerd. Van daar die spitse torens, De rotsen wapenend gelijk den stier zijn horens, Die holen met dat ossenoog, Waaruit het werpgeschut rondgluurt naar alle kanten, Dat hier verdelgingskunst ten doode neêr kwam planten, - Wee driemaal, wien het treffen moog'!
Hoe kan het zijn? - Zie op! De heerlijkste tooneelen Verheffen ginds uw geest, terwijl ze uw oogen streelen. Dat sneeuwkleed, haast te blank voor de aard, - Die etherlucht, zoo rein of ze uit den hemel daalde, - Die bergspits, hemelhoog of ze aan de wolken paalde, - Het wijst u alles hemelwaart!
En toch, daar naast u sloeg de hel haar tenten neder: Daar treft eens Abels gil uw oor verscheurend weder, Die door zijn broeder wordt vermoord. Daar ziet gij weêr den mensch het beeld van d' arend dragen, Die moordziek ginds naar 't lam zijn klauw heeft uitgeslagen, En in zijn vacht den snavel boort.
Voorzeker! niet om niet ziet gij twee arendsbekken, In Habsburg's wapen, schrik voor d' Oostenrijker wekken: Hij doet ook hier dat wapen eer. Ja, dichter! gij hadt recht: ‘Waar u geen mensch doet schromen Voor 't leed, dat hem verzelt, daar is Natuur volkomen!... ‘Die Welt is vollkommen überall, Wo der Mensch nicht hin kommt mit seiner Qual.’
Schiller.
Hoe lang, hoe lange nog, o Heer?
Cookies on Poetry Cove