II.
Maar klinkt dus uit mijn mond een lied, Waarin ge, o Kerk, me uw lof hoort galmen, Hoe menigeen beäamt dien niet!.... Hoe? 't ‘Kruist haar!’ kruist mijn eerepsalmen!
't Treft ook mijn oor, en 'k hoor 't genoeg, Mijn arme Kerk, wat ge in dees' tijden Van vriend en vijand, laat en vroeg, Om deugd en ondeugd hebt te lijden.
En - 'k weet het ook wél, zwijg maar stil! - Mijn Kerk is niet de keurgemeente, Die God op aarde eens stichten wil Op zijner liefde rotsgesteente;
Ze is niet de Bruid, van vlekken vrij, In 't wit met groene palmenkransen, Die eens op 't Bruilofts-feestgetij' Aan 's Bruîgoms hand in 't licht zal glansen;
Ze is niet des Heilands sprekend beeld, Des Schoonsten aller menschenzonen, Al is 't dat ze, uit zijn bloed geteeld, Zijn beeltnis beter moest vertoonen;
Ze is niet de meesteres-slavin, Die bukt om 's mindren voet te wasschen; De Martha niet, wier wakkre zin Haar trouw op 's Meesters wenk doet passen;
Ze is niet de Wijze maagd, gereed En met de volle lamp in handen, Die als de Bruigom binnentreedt, Zoo helder als de dag zal branden.
Al heft ze ook als haar krijgsbanier Het kruis des Heeren naar den hoogen, Zij zelve, hoe zij 't roeme en vier', Treedt als gekruiste u niet voor de oogen.
En dan, 't reeds niet meer blank gewaad Toont elken dag nog nieuwe vlekken, En 't valt niet zwaar, op haar gelaat Der krank- en zwakheid merk te ontdekken.
'k Erken 't: - al is 't met schaamt', want ik Ben voor mijn deel daar mede aan schuldíg - Zooals zij staat voor 's werelds blik, Haar feilen zijn te menigvuldig!...
Nu! 't wordt haar vaak genoeg gezegd, En dikwijls, met de hardste woorden, Een schimpkrans om haar hoofd gelegd, Haar leest gestriemd met scherpe koorden;
't Is soms als werd voor 't oog der zon Geen euveldoenster meer gevonden, Wie men meer kwaads verwijten kon, Dan de arme Kerk met al haar zonden;
't Is soms of Kali's afgodsbeeld Nooit grooter gruwlen gaf te aanschouwen, Dan zij door haren invloed teelt, Zij, die verworpenste der vrouwen!...
Mijn dierbre Kerk! wat valt men hard U, de eenmaal op de knie vereerde, En hoe verscherpt het nog uw smart Te zien, wie tegen u zich keerde!...
't Zijn vaak uw kindren zelv', die gij Gebaard, gekweekt hebt en gekoesterd, Die ge als een moeder, meer dan zij, Hebt met uw eigen bloed gevoedsterd;
Uw kindren! 't Teeken van den doop Is nog op 't voorhoofd nagebleven, En 't Credo van een vroeger hoop Blijft, nagalm, door hun zielen zweven....
Maar toch! zij beuren nu de hand, Om moeder 't grijze hoofd te treffen: Een moeder slaan! wat dubble schand! Wat kind op aard zou 't niet beseffen?
Toch ‘Weg met haar!’ klinkt immer 't voort. Naar 't kruis wordt de arme heengedreven, Naar 't kruis - waar gij haar beê van hoort: ‘De onwetenden! wil, Heer! vergeven!’
Maar is er dan, in 't midden van De schaar, die 't ‘Weg met haar!’ doet klinken, Geen, die de zwakke helpen kan, Waar ze onder 't kruis dreigt neêr te zinken?
God lof, daar zijn er velen, meer Wellicht dan de andren, die haar hoonen, Die roepen: ‘Moeder! zink niet neêr! Wij zijn nabij u, wij, uw zonen!’
En van die vele zonen één Ben ik ter hulp mede opgerezen, En, wie haar lastren om mij heen, Haar wordt mijn hulde en dienst bewezen.
Want gij, mijn Kerk, van u geldt nog 't Woord, eenmaal van de Bruid gesproken: Gij ook ‘zijt zwart, maar lieflijk toch:’Hooglied I:5. Krank zijt ge, maar niet gansch verbroken.
Gij werdt wel minder, dan ge waart; Met rimplen is u 't hoofd doortogen; Der eeuwen loop heeft niet gespaard, Wat eens zoo heerlijk blonk in de oogen;
De sporen van dees boozen tijd Zie ik ook in u zelve u dragen.... Maar zoo gij, Kerk, mijn moeder zijt, Is 't aan uw kind, daarom te klagen?
Hoe gij vervielt, of nog vervalt, Doet dat de weldaân meê vervallen, Door u in jeugdiger gestalt' Om strijd bewezen aan ons allen?
O neen! Mij waart ge een moeder, gij! Gij blijft het steeds, en in mijn harte Dringt nooit een andere u ter zij', Schoon ge ook een Moeder werdt van smarte.
Ik dien u op gebogen knie, Ik kus met kinderliefde uw handen, En, wien ik ook u smaden zie, Mij blijft voor u het hart steeds branden.
Uw doopsel eer ik als Gods merk, Uw brood en wijn als hemelspijze; Mijn zwak geloof roem 'k als uw werk, Daar 'k in mijn hope uw gave prijze.
Schutsengel zijt ge op aarde mij, En zult ge ook in de toekomst blijven: Zelfs schoon de dood in aantocht zij Hij zal u op de vlucht niet drijven....
Hoe? als hij komt, gij zult te meer U, moeder, over 't kind ontfermen, En dragen 't zachtkens tot den Heer, Nadat het insliep in uw armen.
Dan daagt het Nieuw-Jeruzalem, Waarvan 'k zoo vaak u hoorde roemen; Dan hoor 'k der ‘Oudsten’ priesterstem Mij in haar midden welkom noemen;
Dan treed ik in de Kerk, zoo schoon De Triumfeerende geheeten.... Maar dan zelfs zal uw dankbre zoon De Kerk op aarde nooit vergeten.
Cookies on Poetry Cove