Skip to content
1879

Winterbloemen

J.P. Hasebroek

II.

En toch, waar 'k voor mijn blik die wereld van relieken Zie uitgestald, die nog naar Trojes vuurbrand rieken, Een doode wereld uit den dood, Daar treft mijn geest het heer van sombere gedachten, Gewekt door 't opstaan uit het graf van die geslachten, Skeletten uit des aardrijks schoot.

Al dood! al dood! al dood! - Die gouden diademen, Waar is het hoofd, dat ze eens tot hoofdsieraad mocht nemen? Waar 't haar, waarom dees haarbands loot? Waar is de melkblanke arm, waarvan Homeer mocht zingen, Dien 't goud omspande? waar de vingers, die de ringen Versierden met juweelen boot?

Vergaan! vergaan! vergaan! - Die gansche schoone wereld, Zoó bont getooid, zoo schoon versierd, zoo rijk bepereld, Waar 't leven eens zoo heerlijk blonk, 't Is alles bouwval, puin, geraamte, stof en asschen, - Een doodskop, als me eens in een grafkuil kwam verrassen, Wien men een gouden mijter schonk.Toespeling op Carlo Borromeo's graf in den dom te Milaan.

Maar nu! zie 't schoon kontrast! Dood, dood, voor altijd Troje, En hoe men nu 't skelet ook siere, kranse, tooie, Gij Priams stad, voor goed vergaan! Slechts 't leven, dat de geest uws Dichters gansch onsterfelijk Zijn helden inblies, leeft. Bleek Ilion verderfelijk, Niet de Ilias; zij bleef bestaan.

Reeds aan de schepping van uw heerlijke gedachten Verkwikten, o Homeer, zich negentig geslachten, Wier oog uw beelden heeft aanschouwd;

Wat tranen heeft uw traan, Andromache, doen vloeien! Wat oogen, Helena, mocht uwe schoonheid boeien, Wier macht geknakt is noch verflauwd!

Nog blaken immermeer der knapen jonge harten, Achilles, voor uw toorn, en Priam, voor uw smarten, Gelijk mijn jeugdig hart eens deed. En zoo ik aan dees tijd mijn zangen kon doen hooren, Homeer toen nagebauwd - o, vreest niet voor uw ooren! 't Vuur, dat ze in vlam stak, spaart u 't leed.

Maar wat ook 't vuur verzwolg, niet de eer, de dank, de hulde, Homerus! aan den geest, die eens uw borst vervulde! Der dichtren vader, meester, heer, Zijt gij een stroomgod, uit wiens urn steeds waatren vlieten... Ook 't dropjen licht, dat 'k hier mijn dichtaar voel ontschieten, Vloot zonder u niet ruischend neêr.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Winterbloemen · J.P. Hasebroek · Poetry Cove