III.
De kapel.
Hoe lange nog? - kom nu, Melieve, en laat ons rijzen! Ginds zal dees lustwarande ons licht tafreelen wijzen, Waardoor dees wanklank wordt verdoofd! - Wij dalen naar de plek, waarlangs de bergstroom slingert, Als langs den bruinen stam eens olms de speelsche wingerd, Die kransen vlecht om 't somber hoofd.
Maar wat verrassing nu? Ziehier! een bergkapelle, Wier toren spiegelt in 't kristal der blanke welle, Een kerkjen aan den zilvren stroom! Wat vreemde strijd! Het werd gewrocht door de eigen handen Als gindsche kruitmijn, die slechts wacht om los te branden.... Mensch, raadselwezen! wreed en vroom!
Nog meer! Dit kerkje werd gesticht als afsluit-teeken Van 't heerlijk, heilrijk werk, dat hier de Vreê mocht kweeken In d'aanleg van het handelspad,De Stelvio-weg. Zoo hoog als schoon, dat hier 't gebergte door kwam snijden, Waar langs de wolken schier de mensch schijnt voort te glijden, Alsof hij vogelwieken had!
Kom, treden wij het in. De deur der kerk staat open, Als om den pelgrim tot een kerkbezoek te nopen. O schoon gezicht, dat 'k hier aanschouw! Hier Borromeo's beeld, daar 's Heilgen Luidwijks trekken, Om vorst Carl Ludwig ter gedachtenis te strekken, Beschermheer van dees rotsenbouw.
En op het altaar, met een kruis gekroond, de bladen Van 't Evangeliewoord ten dienst van wie hier baden, Als antwoord Gods op 's menschen beê. Ook ik, ik vind alhier Gods antwoord op mijn vragen, Toen ik al klagend 't oog naar boven heb geslagen: Daagt, Heer, haast uw beloofde vreê?...
Ja, zie! droeg eens een duif 't olijfblad de arke tegen, Hier komt als ad'laar hij die, aan de borst gelegen Des Heilands, daar eens 't leven dronk, Hier komt Johannes, bô des heils en ziener tevens, En sluit de poort ons op van 't rijk des hemellevens, Dat hem op Patmos tegenblonk.
'k Sla door die poort mijn oog, en zie Gods Sion dagen, Den berg, die eenmaal op zijn top het Lam zal dragen, Die vreê brengt voor dees hijgende aard. Ik zie zijn heiligen de witte vanen zwieren, En met een vredeolijf haar blanke banen sieren, Waarop geen bloedvlek rilling baart.
God lof! 't is vrede alom. Geen via mala's langer. Maar ook voor 't menschenhart geen strijd, hem eindloos banger, Geen via dolorosa's meer. De donkre bergpas van dit leven is doorschreden, En na zijn Finstermünz daagt eindlijk 't lichtvol Eden,... Kniel, Dierbre, met me en prijs den Heer!
Cookies on Poetry Cove