IV.
En voorts.... In het luw van uw beuken, O Valkenberg! wonderzoet oord! Indien uw boschaadje kon klappen - Hoe klonk er soms liefdes akkoord!....
De jongman vond daar de geliefde, Zijn bruid sinds, zijn gâ, ja, zijn Al, En prijst dus uw dreef voor een zegen, Die eeuwig zijn dank wekken zal.
Wat was 't soms hem zoet, daar te wandlen, Prinsessen-tuin, door uw geboomt, Waar, naast het Prinsesje zijns harten, Zoo frisch hem uw Meilucht omstroomt.
Wat was het hem lief, daar te dingen Met 's nachtegaals zang om den prijs, Wie 't best voor zijn liefje kon kweelen De teêrste en hartroerendste wijs.
Maar Meimaanden, ach, zijn zoo vluchtig, En Mei bloeit maar eenmaal in 't jaar. Waar zijn ze, die lieflijke dagen? - Voorbij! jeugd en vreugd met elkaâr!
Maar neen! zij de jeugd ook verdwenen, De vreugde, Godlof! bleef mij bij, En werden de stemmen ook zwakker, 't Lied klinkt als in Meimaand zoo blij.
Zie, Valkenberg, ziet gij daar naadren Een jeugdigen grijs, wit van kruin, Maar groen nog in 't hart, met zijn liefste, Als maagd eens sieraad van uw tuin?
Zij wandlen door 't luw van uw boomen; Hoe blij golft hun aâm op uw lucht! Hun hart wordt weer jong met den Meigeur, Die zwoel hun komt tegengezucht.
En snijden zij al niet hun namen - Als somtijds ook Ouden wel doen - Dooreen op den schors uwer stammen, Hun geest ziet ze staan in uw groen.
De nachtegaal zingt voor zijn liefje, Ook zij fluistren steeds even teêr: Maar 't liefdelied lost zich aan 't einde In danktonen op aan den Heer!
Cookies on Poetry Cove