II.
Maar, ach! als een lentewolk drijven Die lachende droomen daarheen: De zonne des zomers gaat branden, En de oogsttijd des levens verscheen.
Doch eensklaps - wat trillen uw blaadren Op 't klinken van trom en klaroen? Hernieuwt gij uw zomerconcerten, Waartoe ge eens mij nooddet in 't groen?
Neen, neen! 't zijn gansch andere tonen, Waarvan nu de luchtstroom hier beeft: Een klank, waar de donder van 't Turfschip, De krijg vóór uw Vrede in herleeft.
'k Hoor horens, die blazen ten strijde, En trommels, die rofflen ten dans Des doods voor de jonge soldaten, Reeds tuk op een bloedigen krans.
En zie, bij die jeugdige helden, Oud Valkenberg, ziet gij ook mij, Den knaap, uw bekende van vroeger, Toen bloeiende in 't lentegetij'.
Sinds gingen zijn bloemknoppen open: Een jongman staat nu in 't geweer, En trekt als kazerne straks binnen Uw Prinselijk slot van weleer.
O wondere keer van het noodlot! Daar waar toen eens Prinsen hof blonk, Klinkt nu het gewoel van een heermacht, Gedost in der wapenen pronk.
Daar, waar de Prinsessen eens zweefden, Geschoeid met satijn aan den voet, Daar bonst nu de duchtige stevel, Die 't sporenrad ratelen doet.
Daar, waar eens de dansmuziek noodde Jonkvrouwen en Jonkers ten bal, Daar klinkt nu de horen ten krijgsdans, Waar menig in tuimelen zal.
Daar, waar eens verliefdheids gefluister Zoo wonderzoet ruischte in de lucht, Brult barsch het kommando, dat eerlang Verstomt in eens stervenden zucht....
Het zij! Toch Oranje immer boven! Ten strijde! - De strijd wordt gestreên: De winnaar, bekranst met uw twijgen, Trekt jubelend huiswaart weêr heen.
Cookies on Poetry Cove