II.
Een oude Ridderburgt, die op de Schotsche bergen
D' arduinen schedel opwaarts heft,
En onverwrikt gestaâg den golfslag schijnt te tergen,
Waarmeâ de zee zijn voetstuk treft;
Een Burgt, waar in het stof der lang verloopen dagen
De wapenpraal der Helden rust,
En waar de Riddervaan, eens fier in 't rond gedragen,
Verscheurd en vaal nu de aarde kust;
Een Burgt, waardoor des nachts de bleeke schimmen zweven
Van Zwarten Reus en Witte Maagd,
En die geen stervling naakt, dan met een heimlijk beven,
Door angst voor 't spooksel voortgejaagd;
Een Burgt, waardoor een galm van 't Meistreel-lied blijft klinken,
Dat eens door 't reinste kunstgenot
Een stillen traan in 't oog der Burgtvrouw heeft doen blinken; -
Ziedaar uw beeldtnis, Walter Scott!