Skip to content
1859

Winde-kelken

J.P. Hasebroek

III.

Maar, ach! van waar, dat Jezus' kerk, Door dubblen zendings-ijver sterk, Gedoopte en ongedoopte hoofden Omvattend in haar liefdeband,

Die 't menschelijk geslacht omspant, En trekkend tot den Hooggeloofden, Wat loven, lieven, leven kan, Toch kwijnt als onder hooger ban?

't Is dat, ondanks den ijvergloed, Die zendelingen uitgaan doet, Naar buiten dezen, dien naar binnen, Één ding, helaas! aan beide ontbreekt, Den Zender, die den zendling kweekt, Den Zendling, die zijn kroon gaat winnen: 't Is dat, hoe schoon 't uitwendig' praalt, De zending in het binnenst' faalt!

De zending binnenwaarts, in 't hart Des zondaars, die een Christen werd, Maar toch een zondaar is gebleven; De zending op den eigen grond, Waar naast de leliën in 't rond De doorn en distel blijven leven. Die zending is 't, die 't onrein bloed Der kranke kerk genezen moet!

En daarom, Christen! eer ge uw zaad Op vreemden akker strooijen gaat, Ter binnenkamer! In 't verborgen Voor God uw eigen hart ontbloot, Uw schuld bekend, uw lust gedood, U zelf bekeerd met elken morgen, En uit de graven opgestaan, Den weg des levens opgegaan!

Hoe krank is Jezus' kerk! De ban Op 't ontrouw volk! - Gij zijt die man! Ik ben de ontrouwe, ik vóór allen. - Verneedren we ons voor God te zaam, En zoeken wij in Jezus' naam Herstelling voor den afgevallen. De Zending - Christen, toeft ge nu? - In 't allerbinnenst' wacht op u!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Winde-kelken · J.P. Hasebroek · Poetry Cove