I.
Een Heidensch Pantheon, waarin voor alle goden
Een altaar der vereering rijst;
Waarin aan Jupiter de aanbidding wordt geboden,
Maar waar men tevens Odin prijst;
Waar Isis beeldtnis praalt, en 't geheimzinnig Oosten
Zijn raadselbeelden weêr ontmoet,
Maar waar - als om ons voor die krenkingen te troosten -
Ook Christus eervol wordt begroet;
Een Pantheon, zoo grootsch als ooit de Grieken bouwden,
Die eedle Meesters in de kunst,
Ja, grootscher nog (kan 't zijn) dan 't schoonst gewrocht der Ouden,
Belonkt door aller goden gunst;
Een Pantheon, zoo schoon, dat, van bewondring dronken,
Onze Eeuw, vergodend wat haar streelt,
Den Tempel bijna de eer der godheid heeft geschonken; -
Ziedaar, o Göthe, uw schittrend beeld!