III.
Een hoog verheven Dom, waardoor het schemerdonker Van 't zacht getemperd daglicht zweeft,
Dat door den regenboog van 't bonte kleurgeflonker Op 't vensterraam naar binnen streeft; Een Dom, waarin zich 't beeld van 't Heilige in symbolen En letterteeknen prent van steen, Waardoor als schaduwen de geesten ommedolen Van 't uit zijn graf gedaagd Verleên; Een Dom, maar die het merk van 't Heilgeloof blijft dragen, Dat eens zijn wondren heeft gesticht, Waardoor de Psalmtoon ruischt, door David aangeslagen, En opstijgt naar den troon van licht; Een Dom, waar 't wuft geslacht van heden weêr kan leeren, Hoe 't hart, ontrukt aan 't aardsche slijk, Der Vaadren God op 't spoor der Vaadren moet vereeren; - Ziedaar uw beeld, o Bilderdijk!
Godentempel, Burgt en Dom! Ja, gij geeft mij 't beeld weêrom Van dat Driemanschap, welks luite In uw geest haar toonen uitte! De Eeuw bragt hulde aan alle drie Koningen der harmonie.
En omkranst met bloemenkelken, 't Dichtergraf, die nooit verwelken.
Maar de Christen, die het merk Van den Maker op het werk Van zijn werken zelfs ziet blinken, Buigt zich om in 't stof te zinken Voor dien God, die in den Dom 't Hem gestichte altaar beklom, Maar die ook de Helden-zangen, Uit het Burgtslot opgevangen, Maar die zelfs het Heidensch koor, Klinkend d' ouden Tempel door, Tot een lofzang kan vereenen Voor dien Eenigen en Eenen, Die uit harten harpen van Dichtmuzijk formeren kan!
Cookies on Poetry Cove