Skip to content
1859

Winde-kelken

J.P. Hasebroek

IV.

De Lamartine! Ik heb reeds driemaal in mijn leven Op wijd-verscheiden toon den klank uws naams gehoord: 'k Zag aan dien naam een lof- een vloek- een smaadwoord geven, Vernam ik 't allerlaatste woord? Of mag ik hopen, dat nog eens ten vierden male De Faam dien naam, maar nu op andren toon, herhale? Klinkt eens de blijmaar nog in uws Bewondraars oor: ‘Juich! de Engel, die straks viel, is heerlijk weêr herrezen: Weêr is des Zangers luit, wat ze eenmaal plagt te wezen; De breuke tusschen hem en 't menschdom is genezen: Zijn God hebbe onzen dank er voor!’

De Lamartine! Als gij ginds ronddwaalt door de hallen Van 't dierbaar, maar u thans zoo wreed betwiste Slot, Waardoor wij 't eerst den galm van 't speeltuig hoorden schallen, Zoo vaak ons bron van 't reinst genot: Ligt vindt ge, als gij aldaar uw woning rond woudt zoeken, Verscholen in den nacht van de onbezochtste hoeken, In 't vaal en donker kleed een weggeborgen Boek! De Bijbel is 't, o Bard, de Bijbel van uw moeder! Neem dien en lees! - En God, haar God, uw jonkheids Hoeder, Wordt weêr uw God! U groet elk Christen weêr als broeder, En zegening vervangt den vloek!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Winde-kelken · J.P. Hasebroek · Poetry Cove