II.
1848.
De Lamartine! Ik heb op nieuw uw naam vernomen, Maar nu geen harptoon meer, maar als een donderstem, Die tot ons klinkende van gindsche Seine-zoomen, Ons bijna huivren doet voor hem! Bij 't woeden van d' orkaan, die Frankrijks hof ontheistert, De lelies in den hof der Orleannen teistert, De koningslelie knakt en dorrend werpt ter zij', Wie, die het eerst het woord des bans heeft uitgesproken,
En op een jonge vrouw en teeder wicht gewroken 's Volks grieven, door de drift tot fakkelen ontstoken? ... Spreek, wie? - De Lamartine, gij!
Wat meer is, zoo die toorts weêr half Euroop doet blaken, En 't vuur, dat schril Parijs verlicht met purpren schijn, Weêrschittren doet op 't goud der koninklijke daken, Tot zelfs in Weenen en Berlijn: Wiens hand heeft dus de mijn gegraven en geladen, Waarop in weelde en lust zich Volk en Hoofdstad baden, Als 't Itaaljaansch gehucht, dat naast den vuurberg rust? Wie is het die de vonk heeft in de mijn verstoken, Die eensklaps, als het kruid de vuursprank heeft geroken, Ze in vlammen uitslaan doet, den krater uitgebroken? .... Gij, Dichter, vondt daarin uw lust!
Kan 't zijn? De luit, die eens een harp scheen te gelijken, Op wier geluid en aarde en hemel ging te gast, Zingt zij 't straat-orgellied, waarbij in de achterwijken Het graauw de Marseillaise krast? De Dichter, die verhoogd in 't luchtgebied der wolken, Neêr scheen te blikken op de woelingen der volken, Of straks weêr de oogen hief naar d'Onbeweegbren troon, Verlaagt hij zich zoo diep om de ijslijkste aller talen,
Gevoerd door wezens, die beneden 't menschdom dalen, Den vloekkreet der Marats, der Dantons te herhalen? Schijnt, Dichter! u die lauwer schoon?
Zoo schoon, helaas! dat gij, om die voor u te plukken Uw stem veranderdet, uw roeping en uw hart, En om op 't hoofd de kroon eens volks-tribuuns te drukken, Een tweede Masanjello werdt! Ach! welk een val! Heel de aard' treurde om den vallend' engel, Die zich verliezende in het bontste volksgemengel, En met een roode muts op 't rijkgelauwerd hoofd, Den dank van 't menschdom eischte, als hij met de eigen snoeren, Waarmeê hij harten wist waarheen hij woû te voeren, Nu monsters sloeg in band, wie, door een kort ontroeren, De veege prooi werd afgeroofd!
Cookies on Poetry Cove