Tweede tusschenzang.
de weezen alleen.
O God, die zelfs naar 't schor geluid
Van jonge raaf en woudduif hoort,
Hoor, bidden wij, het staamlend woord,
Door onzen kindermond geuit.
Wat hebben arme kindren meer
Dan hun gebed, o Heer?
O neig uw oor,
Geef onze beê gehoor!
Vergeld het onzen Vrienden,
Dat zij in ons u dienden;
O neig uw oor!
Wat een van u den mijnen doet,
Zoo heeft uw Zoon ons zelf beloofd,
Keert weêr in zegen op zijn hoofd,
Als deed hij mij, mij-zelven goed.
Wat deze voor ons deden, Heer,
Keer' zeegnend tot hen weêr!
O zie ons aan,
Laat ons niet ledig gaan!
Wil hen met zegeningen
Om onzentwil omringen;
O zie ons aan!