III.
1856.
De Lamartine! Ik hoor op nieuw uw naam weêrgalmen. Hem noemt op nieuw de tong der onvermoeide Faam! De volksstem zingt op nieuw haar Held ter eer haar psalmen, En strooit haar lauwren op zijn naam.
De stem der Kunst stemt mede in 't loflied u gezongen. Zij roept de schare, eens om uw harpe zaamgedrongen, Herdenkende aan 't genot van 't dichterlievend hart, Zich mede in 't eerbetoon der dankbaarheid te mengen. Wat dan? Wil men den Bard den wijn der eere plengen? Neen, 't offer, dat men aan den Dichtervorst wil brengen. Het heet: ‘een aalmoes voor den Bard!’
‘Een aalmoes voor den Bard!’ Helaas! wèl wordt die bede In onze dagen niet voor 't allereerst gehoord. Men zegt dat reeds Homeer haar meê weerklinken dede; Uit Tassoos lippen kwam zij voort. De koningen der luit zijn beedlaars vaak gelijkend, Die langs een valsche snaar een doffen snaarstaf strijkend, ‘Een penningske om Gods wil!’ opgaadren langs de straat. Ze zijn als de aadlaars, die op naakte en kale klippen, Waarom de donder rolt, waar langs de bliksems glippen, Verhongren, daar omhoog het brood des dals hun lippen Juist door die hoogte zelve ontgaat!
Maar toch! wie 't beedlend woord voor dezen Bard hoort klinken, Dien God gezegend had met 's werelds overvloed, Maar die, als weelde en pracht zijn erfgoed weg doet slinken, Zich zelv' zijne armoê wijten moet,
Het is een woord, dat op den diepverneêrden schedel, Zoo vorstlijk eens gekroond, zoo ridderlijk als edel, Als met een nieuwen last van schande nederzinkt. Hoor, Frankrijk, hoe de stem die eens u 't hart ontgloeide, Met tooverzoete magt u aan haar woorden boeide, En als een balsem op uw wonden nedervloeide, Thans beedlend langs de huizen klinkt!
Cookies on Poetry Cove